Opnieuw uitgedaagd voor #BlimageNL door Frans Droog, schreef ik deze keer een vakantieblog. Naar aanleiding van deze foto: 

 Lichtpunt in de verte

 Die dag vertrokken we uit Aragon in oostelijke richting. Vergezicht: de Middellandse Zee. De tocht zou gaan door een prachtig ruig gebied, vrij leeg, met hier en daar een dorp. De avond tevoren hadden we de kaart bestudeerd. Op tafel een boek met kaarten. Op die kaarten strepen: rood, geel, wit. Elk streepje een nummer. Hier en daar zwarte tekentjes die de aanwezigheid van een kasteel of een kerk verrieden. Sommige gebieden lichtgroen, andere donkergroen. 

Mijn geliefde en ik reizen altijd in een bepaalde richting, vaak zonder vooraf bepaald, specifiek doel. Het komt nogal eens voor dat we al rijdend besluiten rechtsaf te slaan als we daar plotseling iets moois ontwaren. Bijvoorbeeld een nog vrij onbetreden pad. De algemene richting blijft echter ongewijzigd.

En zo vertrokken we, tamelijk vroeg, de dag was juist begonnen. De weg die we gekozen hadden veranderde van een geel streepje met een nummer in een weg met bochten en een schitterend uitzicht. Het had in de nacht geregend en de eerste zon brak door de wolken heen. Het landschap, weids, open, koesterde zich in de deze zon. machtige roofvogels zweefden hoog boven het land.
Ik bedacht dat dit landschap, de glooiingen, de verten, al vele jaren dezelfde waren. Dat dit landschap al miljoenen keren de zon had zien opkomen, maar dat toch geen twee dagen hetzelfde te zien geven. Iedere dag is de lichtval net even anders, zijn de wolken anders van vorm, de vogels vliegen een andere route.

Er was vrijwel niemand op de weg. Slechts om de paar kilometer kwamen we een andere auto tegen. Af en toe reden we door een dorp. De dorpen zag je al kilometers van te voren liggen. Een groep huizen in een tamelijk leeg landschap, een kerk, in veel gevallen een kasteel op het hoogste punt. In veel gevallen ook een ermita, oorspronkelijk een plaats voor stille en eenzame contemplatie. In sommige gevallen een eenvoudige grot, in sommige gevallen een hut. Tegenwoordig vindt men er vaak een kerk en zelfs een restaurant. 

Het punt waarvan we van te voren dachten het mooiste uitzicht te hebben, bleek bij aankomst gehuld in een dichte mist. Je zag er werkelijk geen hand voor ogen. De auto voor je nauwelijks, de berm ternauwernood. En zo zagen we dat wat het allermooiste had kunnen zijn, niet.

Het dorp

Uiteindelijk besloten we te blijven in een dorp, een kilometer of dertig uit de kust. Middeleeuwse kenmerken, hoewel de muur om het dorp hier en daar afgebrokkeld was en het water van de gracht eromheen grotendeels opgedroogd. Het dorp had en heeft een prachtige oude kerk, een kasteel en een, nee zelfs twee ermita's. De laatste drie elk op een eigen berg. Er is een dorpsplein, waar iedereen elkaar ontmoet, het is er steeds een drukte van belang. En hoewel ik ook wel weet dat in een dorp als dit ook het nodige speelt, was ik onder de indruk van de volstrekte afwezigheid van agressie, bedreiging, ongemak in de openbare ruimte. Voor iedereen plek, iedereen met open armen ontvangen.

Die ene avond was er een concert in de plaatselijke kerk. Men was met velen aanwezig. Oud en jong, eeuwelingen met stok, baby’s van een paar weken. Tieners, veertigers. Mannen, vrouwen, iedereen. Op het eerste gezicht geen toeristen, behalve wij. Wij werden ondanks dat probleemloos opgenomen in het gezelschap dat dicht tegen elkaar aan op de overvolle banken zat. Het was er warm. Honderden prachtige waaiers in de meest uitbundige kleuren bewogen tegelijkertijd. 
Daar verscheen de violist. Jong, knap. Wit hemd, bretels. Jonge mensen in een klein orkest achter hem. Beloften voor de toekomst.
De muziek vulde de ruimte, de klanken tuimelden langs de muren. Hier en daar pinkte iemand een traantje weg. Soms gingen de waaiers wat sneller of hield iemand hem voor haar gezicht. Men kon de eenheid en saamhorigheid voelen. Zelfs buiten op de trap stonden mensen stil te luisteren.

De zee

De volgende dag gingen we vanuit het dorp naar de Middellandse zee. Een halfuurtje rijden. De zee als altijd diepblauw, met een vleug groen. Prachtig. Altijd zo geweest waarschijnlijk. Op het strand duizenden mensen, allemaal onder hun eigen parasol, met hun eigen tassen en handdoeken. Niemand in gesprek met de buren, iedereen gericht op de eigen partner of de eigen kinderen. Dicht opeen en zo apart van elkaar.

De zee, ons lichtpunt in de verte, viel tegen. Of nee, niet de zee, die was al eeuwenlang diepblauw. Het was, toen we er eenmaal waren, niet de plaats waar we wilden zijn. Al snel besloten we een smalle weg te nemen, waar slechts enkelen in gingen. Binnen enkele kilometers konden we de zee van enige afstand zien liggen. En even verder de monding van de rivier, die schitterde in de zon en per seconde nieuw water de zee binnen liet stromen. De delta van een rivier die op enkele plaatsen stroomde, maar ook stilstaande poelen had. De stilte op de plaats waar we stonden te kijken was compleet. Je hoorde er niets, er was niemand. Niets. De schoonheid was totaal.

Conclusie             

In het zoeken naar het lichtpunt in de verte merkte ik op dat de koude, ongenaakbare kastelen op de heuvels hun tijd gehad hebben. De muren van de macht zijn er letterlijk afgebrokkeld. Plaatsen van verstilling, zoals bijvoorbeeld de ermita’s of prachtige plaatsen in de natuur, blijven altijd een toevlucht voor mensen.

Het veronderstelde lichtpunt in de verte kan, eenmaal bereikt, tegenvallen, omdat de mensen, ikzelf incluis, niet voldoende om zich heen kijken of daar pas later aan toe komen. Nieuwe lichtpunten laten zich echter altijd vinden voor degene die verder wil kijken dan de eigen grenzen. Dat wat werkelijke, tijdloze waarde heeft , zoals echte verbondenheid, zal altijd van waarde blijven en is onontbeerlijk als basis voor vernieuwing. Het water in de delta stroomt uiteindelijk altijd naar de zee.