Het zal ergens in de jaren zeventig van de vorige eeuw geweest zijn dat ik samen met mijn ouders en een aantal bezoekers om de tafel zat. Het gesprek ging over het volgende: Er gebeurt iets: iemand springt geheel gekleed te water bijvoorbeeld, zomaar, op een warme dag. Er is niemand in gevaar of zo. Er lijkt geen enkele reden voor. Hij springt er zomaar in. Aan tafel zei een van de bezoekers: Hoe je daarover oordeelt hangt helemaal af van de manier waarop je naar die persoon kijkt. Als het een vriend van je is dan zeg je lachend: Hij verzint ook altijd iets origineels! Als het iemand is die je niet mag dan zeg je smalend: Die idioot heeft alweer iets geks verzonnen. Aan hem is een steekje los.

Hoe we naar de dingen kijken heeft veel te maken met onszelf. Handig hulpmiddel om dit thema nader onder de loep te nemen is de inferentieladder, een al wat ouder, bekend model, geïntroduceerd door Chris Argyris:

 

Een voorbeeld in deze context is een rapportvergadering. Jij hebt die naar je eigen idee goed voorbereid. Jij zit die vergadering als mentor voor, voor het eerst.  Dat het voor het eerst is, maakt het wat spannend. Als je net de vijfde leerling aan het bespreken bent, zie je achterin een van de collega’s gapen en tersluiks op zijn horloge kijken. Even later gebeurt dat weer. Je denkt bijvoorbeeld: O jee, hij verveelt zich  nu al, zie je wel, mijn voorbereiding is niet goed genoeg. Mogelijk heb je al vaker meegemaakt dat hij afwezig reageerde op dingen die je deed of zei in een vergadering. Dus denk je: nou, dat is al de tweede keer dat hij er niets aan vindt. Zie, je, ik wist wel dat ik niet goed ben in rapportvergaderingen. 
Stel dat iemand anders dezelfde situatie had meegemaakt, dan zou deze persoon vermoedelijk iets anders gedacht hebben, bijvoorbeeld: nou zeg, wat een gebrek aan respect voor de vergadering! Iemand anders zou er helemaal niet bij stilstaan. En als het mogelijk was geweest tien mensen in dezelfde situatie te laten zijn, dan hadden die allemaal iets anders gedacht. Iedereen let op andere ‘feiten’, en heeft daar zo zijn eigen gedachten over, trekt daar eigen conclusies uit die dan vervolgens steeds worden aangevuld met informatie die het bestaande beeld bevestigen. 

Doorgaans komen we niet op het idee om ons af te vragen of het wel klopt en we maken er ook geen gewoonte van om bijvoorbeeld te vragen: je leek verveeld in de vergadering, had dat wat met mijn voorzitterschap te maken?

Het enige dat er gebeurt is dat je iemand op zijn horloge ziet kijken en gapen, en daarna nogmaals. Dat zijn waarneembare feiten. In je waarneming selecteer je ‘feiten’. Je gaat bijvoorbeeld voorbij aan het feit dat deze collega bij het bespreken van de tweede leerling geïnteresseerd meepraatte. Je weet helemaal niet waarom de collega gaapte. Je weet bijvoorbeeld niet dat zijn moeder plotseling met een gebroken heup is opgenomen in de afgelopen nacht en hij de halve nacht in het ziekenhuis heeft gezeten. Je zoekt naar bevestiging van je eigen ideeën over de situatie. En je neemt zomaar aan dat die kloppen.

In de klas vergaat het een leraar soms ook zo. Wanneer een leerling moeilijk is om mee om te gaan, vaak onhandelbaar, dan moet zij zich bewust inspannen om ook goede dingen aan die leerling te zien. Als ze niet alert is,  kijkt ze bij het binnenkomen van het lokaal al naar deze leerling om te kijken wanneer hij weer vervelend gaat doen. Zo bouwt zich een barricade op die bestaat uit een  perpetuum mobile van negatieve veronderstellingen en verwachtingen.

Zo kijken we naar de mensen om ons heen met een bepaalde bril. Vanuit onze eigen achtergrond, vanuit onze eigen ingesleten overtuigingen ( Argyris noemt dat: mentale modellen, later ook gebruikt door Peter Senge) over de wereld. We zoeken vervolgens naar bevestiging van eerdere beelden, en trekken conclusies. Dat is menselijk, we doen het allemaal.

Ons daarvan bewust zijn en ook eens naar andere aspecten van iemands persoonlijkheid kijken, of liever nog: gewoon kijken en je best doen alleen te kijken en je oordeel uit te stellen, komt de relatie en de verbinding ten goede.

 

 Argyris, C. (1970): “Intervention theory & method. A behavioral science view.”, Reading: Addison-Wesley.

 Senge, P.M. (1992). De Vijfde Discipline . De kunst & praktijk van de lerende organisatie. Schiedam: Scriptum Management.  Later ook gebruikt in zijn boekLerende Scholen.